Betty Groenteman, 1919-2016

Betty Schabracq – Groenteman is 10 september overleden. In het boek is een hoofdstuk gewijd aan haar vader, Jonas Groenteman. En ook haar eigen herinneringen aan haar kinderjaren op Asterdorp hebben een plaats gekregen in het boek. Driemaal heb ik haar uitgebreid gesproken. Eenmaal in 1984 en tweemaal in 2014. Ik weet niet waarom maar ik had een zwak voor haar. Is het vanwege die krasse manier van uitdrukken? Haar zelfspot? Of haar wijze oordeel? Ik weet het wel. Het is omdat ze lijkt op mijn moeder, een generatiegenote die ook op haar veertiende naaister werd.
In het laatste gesprek vertelde ze over de oorlog en haar onderduik. Dat deel van het gesprek heb ik nu uitgewerkt.

‘Van mijn vader en moeder is geen enkele foto. Misschien waren die er ooit wel maar alles wat we hadden, is verdwenen in de oorlog. We zijn in 1942 uit ons huis gehaald door Hollandse politie-agenten. We mochten niks meenemen, helemaal niks, niks. We zijn toen naar de schuilkelder op het Afrikaanderplein gebracht en vandaar naar Westerbork. Na een paar maanden mocht ik terug naar Amsterdam, samen met mijn man. Dat kwam omdat ik een stempel had waaruit bleek dat ik bij naaiatelier De Groot werkte. We veranderden daar jassen  voor de moffen. Ja, ik heb voor de moffen gewerkt. We moesten op jassen van het Hollandse leger epauletten omwisselen. Mijn man werkte ook voor de Duitsers, bij een meubelmaker op het Gerard Douplein. Na een paar weken is hij toch gepakt, de stempels golden niet meer. Om zes uur verliet hij de meubelmakerij om naar huis te gaan, en toen is ie opgepakt. We hadden na terugkomst uit Westerbork een zolderkamertje gehuurd in de Kerkstraat, op de hoek van de Utrechtsestraat. Ik lag de hele nacht naar buiten te kijken. Zou hij nog komen? Zou hij nog komen? Maar hij was al naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Ik moest dus weg. Toen ben ik via een kennis van het naaiatelier in Bolsward terechtgekomen. In een hoedenzaak, daar kon ik helpen met naaiwerk. Ik kon het goed vinden met het echtpaar van de hoedenzaak, Van der Werff heetten ze, gereformeerde mensen. Altijd bidden voor het eten en na het eten, maar goed, dat maakte me niks uit. Ik ging ook vaak mee naar de kerk. Mocht ik een hoed uitzoeken in de winkel want dan moest ik ook aangekleed als een aap. Ik heb nog steeds contact met de familie. Die ouders zijn er natuurlijk niet meer, maar hun zoon wel. Sietse heet die. Hij was tweeëneenhalf toen ik daar kwam. Ik moest zijn kleertjes naaien en wandelen met hem, dat soort dingen. Nu woont ie in Arnhem en hij komt nog geregeld hier op bezoek. Hij is toevallig getrouwd met een Duitse vrouw. Maar ze is een goeie meid, hoor. Zij kan er niks aan doen. Hij belt heel vaak om te vragen hoe het met me is. Ze waren fantastisch, die mensen. En daarom zeg ik: gereformeerd of niet, dat zegt me allemaal niets.’

Haar man, haar ouders, zussen en broers, neven en nichten, ooms en tantes, niemand keerde terug. Betty Groenteman was alleen. Ze trouwde na de oorlog met Eli Schabracq. Het echtpaar verhuisde naar Israël maar keerde later weer terug naar Amsterdam. En weer werd ze weduwe. Een andere nazaat van Asterdorp, een kleinzoon van Bram Viskoper, wees me op een tv-programma waarin Betty Schabracq – Groenteman samen met haar zoon optreedt. Een mooi en treffend beeld.
Ik heb last van een ander beeld. Als ik fietsend door de Kerkstraat de Utrechtsestraat kruis, tuur ik naar de zolderkamers. Daar, daar hangt ze uit het raam. Wachtend.

Email this to someoneTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Facebook

Geef een reactie