Gemeentelijke schraapzucht –2–

frederiks
K. Frederiks, de topambtenaar die bijna de hele oorlog in zijn eentje de klassieke rijksoverheid was

Double billing, zo noemen Amerikaanse advocaten het. In Nederland snoeven consultants op de vrijmibo over ‘schrijven met een vork’. De gemeente Amsterdam had er geen aparte woorden voor maar deed het ook: in de oorlog werden de kosten voor de Jodengetto’s meerdere keren in rekening gebracht. In hoofdstuk 11 van Asterdorp staat het uitgebreid beschreven, en wordt ook gepoogd te verklaren hoe het mogelijk is dat de Amsterdamse ambtenaren zo amoreel handelden.

Hoe zat het ook alweer? In Asterdorp en de Transvaalbuurt bracht de Gemeentelijke Woningdienst de Joden die verplicht werden daar te gaan wonen, de commerciële huur in rekening. Voor Asterdorp waren de extra huurinkomsten ruim 2.000 gulden (nu € 13.000,-) en voor de Transvaalbuurt bijna 14.000 gulden (nu: € 91.000,-). Joden die naar een van deze getto’s moesten verhuizen, hebben dus € 104.000,- te veel aan huur betaald (de berekening staat onderaan dit artikel uitgelegd). Zonder naar deze extra inkomsten te kijken, declareerde Amsterdam de kosten van de ‘evacuatie van Joden’ bij verschillende instanties. In november 1943 werd ruim 450.000 gulden (nu: 2,9 miljoen euro) in rekening gebracht bij de hoogste rijksambtenaar, K. Frederiks. Daar had Frederiks overigens zelf om gevraagd en van een onderbouwing wilde hij niets weten. Daarbovenop is minimaal één keer, maar vermoedelijk meerdere malen, 3000 gulden (nu: € 19.500,-) bij de Lirobank gedeclareerd (de roofbank die het geld en bezit van alle Joden had geconfiskeerd). In 1944 is onder valse voorwendselen, namelijk ‘oorlogsschade’, nog eens 245.000 gulden bij Frederiks geclaimd (nu: 1,6 miljoen euro). Tel daar de extra huurinkomsten bij op en je kunt aan de inkomstenzijde van het kasboek van de Woningdienst f. 714.000 noteren (nu afgerond: € 4.640.000,-). Inkomsten die direct samenhingen met de Jodenvervolging.

Kanttekening één: het is niet zeker dat al deze declaraties ook zijn gehonoreerd. Kanttekening twee: de veiliggestelde jaarlijkse rijksbijdragen (f. 4.900,- voor Asterdorp en vermoedelijk f. 66.800 voor de Transvaalbuurt) laat ik hier buiten beschouwing omdat de gemeente Amsterdam deze ook bij leegstand zou ontvangen. Terzijde: vermoedelijk is de rijksbijdrage voor de Transvaalbuurt verhoogd voor de jaren 1942 en 1943. Ik ben wel een begripvolle brief van het ministerie hierover tegengekomen maar toezeggingen over exacte bedragen stonden daar niet in. Kanttekening drie: de geïnde borg (tien gulden per huurcontract, nu € 65,-) laat ik hier buiten beschouwing omdat dit los staat van de huurverhoging. Kanttekening vier: wanneer je op deze boekhoudkundige manier de baten becijfert, moeten ook de kosten in beeld worden gebracht. Huurderving, niet alleen bij de gemeente- en corporatiewoningen maar ook bij particulieren (een onbekend maar ongetwijfeld zeer fors bedrag), schade aan woningen (een onbekend bedrag) en huurachterstanden van Joodse gettobewoners (ik mag hopen een fors bedrag). Maar zelfs als je strak gaat boekhouden blijft er onder de streep een schuld over. Een financiële schuld, onbekend hoe groot maar minimaal € 104.000,-, het bedrag dat Joodse huurders bovenop de gewone huur moesten betalen. En een morele schuld, gewicht bekend. 

vraag 1943

 

vraag 1943-achterzijde
Oktober 1943, Frederiks vraagt om een opgave van de ‘transportkosten van afgevoerde Joden’.

 

antwoord flipse 1943 1
November 1943, het antwoord van Flipse.

 

Juni1944 vraag 1
Juni 1944, pagina 1 van 4 uit een verzoek van Frederiks om schade door militaire maatregelen te melden.

flipse 1944-1

 

flipse 1944-2
Juli 1944, Flipse declareert wederom de huurderving door ‘evacuatie van joodse personen’ voor gemeentewoningen (nu in bezit van rechtsopvolger Ymere).

 

flipse 1944-3
Juli 1944, idem voor verenigingswoningen.
flipse 1944-4
Bijlage bij bovenstaande brief

 

Uitleg berekening extra geïnd huurbedrag

In Asterdorp zijn tussen mei 1942 en juni 1943 94 huisjes gemiddeld 22 weken verhuurd geweest aan Joden (eerst aan gevluchte Duitse Joden, later vooral aan Amsterdamse Joden, verbonden aan de Joodse Raad). Elke week werd – afgerond – een gulden extra huur geïnd. Opgeteld is dat f. 2068. Voor de Transvaalbuurt baseer ik de conclusies op een gewogen steekproef van 191 woningen. Vóór de aanwijzing van de buurt als concentratiewijk waren al 1260 van de 1800 gemeentewoningen aan Joden verhuurd, waaronder de woningen van de Joodse woningbouwvereniging Handwerkers Vriendenkring die in het begin van de oorlog door de Woningdienst is overgenomen. Omdat deze woningen 100% door Joden waren bewoond wegen ze in de steekproef naar rato mee. De ‘oude’ huurders bleven tot hun deportatie de oude huur betalen. Tijdens de deportatie, in fasen, werd in de praktijk bijna 50% van die woningen doorverhuurd aan Joden die van van elders kwamen, vooral uit de Rivierenbuurt. Dat zijn afgerond 630 woningen waarvoor ongeveer een gulden extra huur per week werd geïnd. Over een woonduur van deze laatste groep van gemiddeld 22 weken, levert dit een bedrag op van f. 13.860. In een eerder bericht meldde ik dat het om 860 woningen zou gaan. Nadat ik de steekproef heb uitgebreid van 55 naar 191 woningen, kwam ik op het betrouwbaarder aantal van 630 woningen waarvoor een te hoge huur is berekend.

Email this to someoneTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Facebook

Geef een reactie